
Moeilijker dan verwacht: loskomen van Google
Er was een tijd waarin alles gewoon werkte. Mijn mail zat bij Gmail, zoeken deed ik via Google, kaarten via Google Maps. Het was snel, gratis en vooral: makkelijk. Ik hoefde nergens over na te denken.
Totdat ik dat ineens wel deed.
Wat begon als een kleine, bijna onschuldige keuze, een andere zoekmachine proberen, groeide langzaam uit tot iets groters. Ik gebruik inmiddels al jaren DuckDuckGo als alternatief voor Google. In het begin voelde dat als een compromis, alsof ik iets inleverde. Maar eerlijk gezegd viel dat reuze mee. Het werkte prima. Sterker nog, het voelde rustiger. Minder ruis, minder het idee dat er op de achtergrond van alles met je gebeurt.
Hetzelfde gold voor kaarten. Apple Maps en OpenStreetMap bleken voor mijn gebruik meer dan voldoende. Geen overdaad aan reviews, geen eindeloze lagen aan commerciële toevoegingen, gewoon een kaart die doet wat hij moet doen. Het klinkt bijna banaal, maar dat was precies de ontdekking: veel van die privacyvriendelijke alternatieven voor Google zijn gewoon goed genoeg.
Tijdens die zoektocht kwam ik ook steeds vaker verzamelplekken tegen met alternatieven, zoals opensourcealternative.to en european-alternatives.eu. Dat zijn van die sites waar je ineens ziet hoeveel er eigenlijk bestaat buiten de bekende techreuzen. Het voelt een beetje alsof je een parallel internet ontdekt, eentje waar open source en Europese software een veel grotere rol spelen.
Het model dat begint te wringen
Toch knaagt er iets.
Want hoe meer ik overstapte, hoe vreemder het bestaande model begon te voelen. Bedrijven betalen om zichtbaar te zijn binnen een platform. Gebruikers betalen soms om dat platform überhaupt te mogen gebruiken. En als je vervolgens geen advertenties wilt zien, betaal je nóg een keer. Ik snap dat er geld verdiend moet worden, echt. Maar de logica voelt scheef. Alsof je betaalt voor een product, en daarna nog eens betaalt om de bijwerkingen weg te halen.
Die gedachte werd alleen maar sterker toen ik me meer ging verdiepen in wat er geopolitiek speelt. Veel van de diensten die we dagelijks gebruiken, zijn in handen van een klein aantal bedrijven, vaak buiten Europa. Dat betekent ook dat je data, hoe persoonlijk die ook is, onderhevig kan zijn aan politieke beslissingen waar je zelf geen enkele invloed op hebt. Het idee dat je digitale leven zo afhankelijk is van een paar grote spelers begon me steeds minder lekker te zitten.
Dat gevoel herken ik ook uit eerdere ervaringen, bijvoorbeeld toen ik even geen toegang tot mijn WhatsApp had en merkte hoe kwetsbaar onze bereikbaarheid eigenlijk is (Even geen WhatsApp: zo kwetsbaar is onze digitale bereikbaarheid).
Mijn stack verandert, maar e-mail blijft lastig
Inmiddels is mijn “stack”, eigenlijk gewoon de verzameling tools en diensten die ik dagelijks gebruik, behoorlijk veranderd. DuckDuckGo voor zoeken. Signal voor berichten. En steeds meer open source software voor de rest. Niet omdat het moet, maar omdat het kan. En omdat het een andere manier van denken afdwingt: minder afhankelijk van Big Tech, meer inzicht in wat je gebruikt.
Die afhankelijkheid wordt pas echt zichtbaar op het moment dat iets uitvalt, zoals ik eerder beschreef in Digitale afhankelijkheid in noodsituaties.
Maar er is één onderdeel waar ik nog niet uit ben.
E-mail.
Mijn mail draait al jaren via Gmail, gekoppeld aan mijn eigen domeinnamen. Dat werkte perfect. Gratis, betrouwbaar en alles zat erin: agenda, contacten, synchronisatie tussen apparaten. Het is precies die combinatie die het zo lastig maakt om over te stappen. Ik zoek geen losse oplossingen, ik zoek een volwaardig alternatief voor Gmail dat naadloos aansluit op hoe ik werk.
Technisch gezien komt daar nog een extra uitdaging bij kijken: de reputatie van je mailserver. Als je je eigen mail gaat hosten, deel je vaak een IP-adres of een reeks adressen met andere gebruikers. En als één van die gebruikers zich misdraagt, bijvoorbeeld door spam te versturen, kan het hele blok op een zwarte lijst belanden. Het gevolg is simpel en frustrerend tegelijk: jouw e-mails komen niet meer aan. Niet omdat jij iets fout doet, maar omdat je “in de verkeerde buurt” zit.
Het is een probleem waar je pas over nadenkt als je er middenin zit.
Op dit moment ben ik aan het experimenteren met Stalwart, een relatief nieuwe open source mailserver. De eerste indruk is goed. Beveiliging lijkt serieus genomen te worden en de basis werkt zoals ik verwacht. Het voelt als een oplossing die is gebouwd met moderne standaarden in gedachten, in plaats van jarenlang voortgebouwd op oude systemen.
Maar zoals dat vaker gaat bij dit soort projecten: de documentatie laat te wensen over. Dingen kloppen net niet, stappen zijn onduidelijk, en je bent al snel meer tijd kwijt dan je had gepland. Dat is misschien ook wel de prijs die je betaalt als je kiest voor meer controle en minder afhankelijkheid.
Teruggaan voelt geen optie meer
En toch ga ik door.
Omdat dit proces, hoe omslachtig soms ook, iets oplevert wat ik bij de standaardoplossingen steeds minder voelde: controle. Inzicht. Het idee dat ik weet waar mijn data is en wat ermee gebeurt. Dat betekent niet dat alles perfect is, of dat het altijd makkelijker wordt. Integendeel.
Maar teruggaan voelt inmiddels ook niet meer als een optie.
Misschien is dat wel de echte verschuiving. Niet dat alles per se beter moet zijn dan wat ik had, maar dat ik bewuster kies waar ik afhankelijk van wil zijn. En waar niet.